Geschiedenis

Hanzestad in het Vechtdal

- een verslag van de handel en wandel in het middeleeuwse Ommen en omgeving -

 

Opkomst van de steden…
Tot de 11de eeuw was Nederland en de rest van Europa een feodale maatschappij. Dit betekende dat de hele economie gebaseerd was op de landbouw. Bijna de hele bevolking werkte in de landbouw. Vaak van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. De boeren (horigen) waren meestal in dienst bij een landheer van adel. In ruil voor het werk kregen de boeren onderdak, een klein deel van de opbrengst en bescherming.
 


Door het invoeren van de ijzeren ploeg kon de grond beter worden bewerkt. De paarden konden met hoefijzers beter hun weg vinden over de akker. En met de invoering van het drieslagstelsel konden boeren meer rendement uit hun landbouwgrond behalen zonder dat het uitgeput raakte. Landbouwgrond werd in drie stukken verdeeld. Het ene jaar verbouwde men in het najaar wintergranen zoals tarwe en rogge op de akker en het volgende jaar zaaide de boer een zomergraan zoals haver of gerst in het voorjaar en het derde jaar werd er niets op de grond verbouwd en mocht de grond ‘rusten’.

In die tijd woonden er ongeveer 200.000 mensen in ons land, maar vanaf de 11de eeuw begon de bevolking sterk te groeien. Vanwege de nieuwe ontwikkelingen leverde het land meer op dan dat de boeren zelf nodig hadden. Het overschot van de boeren werd opgekocht en vervolgens op markten aangeboden. Er ontstond handel. Door de handel werd vervoer belangrijk en op plaatsen waar belangrijke (water)wegen elkaar kruisten ontstonden nederzettingen. Die nederzettingen hadden natuurlijk ook een aantrekkingskracht op verschillende handwerkers die daar hun ambacht wilden uitvoeren. En op deze manier groeiden verschillende nederzettingen uit tot belangrijke handelscentra.
 

 

Ommen als nederzetting…
Uit archeologische vondsten weten we dat er omstreeks de 8e eeuw al bewoning was aan de oever van de Vecht. Deze eerste bewoning stelde nog niet heel veel voor, maar langzamerhand vestigden zich meer mensen hier en rond het jaar 1100 was er een kleine nederzetting. De reden voor deze bewoning was waarschijnlijk de doorwaadbare plaats in de Vecht. De bewoners van de nederzetting, dat toen nog bekend stond als Vmme of Ummen, woonden vaak in zogenaamde hutkommen.

Hutkommen
Hutkommen waren huizen die ongeveer anderhalve meter in de grond stonden. Doordat ze voor een gedeelte ingegraven waren was het ’s zomers koeler in het huis en ’s winters juist warmer. De bewoners van een hutkom waren niet erg rijk en het ingraven had ook als voordeel dat je minder materiaal nodig had.
Het huis bestond uit een constructie van palen. Tussen de palen werden dunnere takken gevlochten en deze werden aangesmeerd met klei uit de rivier. De vloer in het huisje was niet meer dan een dikke laag geel zand.

Woningen bestonden in die tijd uit één kamer met een vuurplaats op de grond. Rondom deze vloerhaard moest de hele familie werken, koken, eten en ook slapen.


 

Waarom Ommen Ommen heet…
Taalkundigen en historici zijn het over de herkomst van de naam Ommen niet eens. De rivier de Vecht was vroeger de scheiding tussen de gouw Salon, waar de streeknaam Salland zijn oorsprong in vindt en Umbalaha. De gouw aan de noordzijde van de Vecht stond bekend als een wildernis met vele meren, poelen en moerassen met een grote verscheidenheid aan dieren waaronder ook elanden.
Volgens sommigen zou het feit dat hier een huis aan de Vecht hebben gestaan dat bewoond werd door een dienaar van de Utrechtse Bisschop de oorsprong van de naam zijn. Dit huis werd een ‘heim’ genoemd en de bewoning rondom dit heim zou vervolgens ‘Omheim’ zijn genoemd. De naam Ommen zou hiervan een verbastering zijn. De deskundigen onderbouwen met het feit dat de buurtschappen Besthmen en Giethmen net als Ommen eindigen op ‘men’. Van Besthmen en Giethmen is zeker dat deze namen zijn afgeleid van een gebied rondom een heim.
Maar waar de naam Ommen daadwerkelijk vandaan komt is niet met zekerheid te zeggen en naar de herkomst blijft het dan ook gissen.

 

Van vazal tot roofridder…
De Bisschop van Utrecht was in de Middeleeuwen de baas in het Sticht. Dit bestond uit het Nedersticht (Utrecht) en het Oversticht (Overijssel, Drenthe en een gedeelte van Groningen). De bisschopszetel stond in het Nedersticht (Utrecht). Daarom benoemde hij in het Oversticht de heren van Coevorden tot vazal. Het vazalschap ging bij overerving van vader op zoon. Maar na verloop van jaren verloor het bisdom steeds meer haar greep op het Oversticht (o.a. Overijssel). Anarchisme vierde hoogtij. Inmiddels was Otto II van der Lippe bisschop van Utrecht geworden. Hij trok met een groot leger op tegen Reinolt van Coevorden. Het grote leger van de bisschop en het kleine leger, veelal boeren, van ridder Reinolt troffen elkaar bij Ane. De bisschop wilde aanvallen maar zakte weg in het moeras. Op 28 juli 1227 won Reinolt van Coevorden de slag bij Ane. Edelman Warner van Beerze uit het gelijknamige buurtschap vond net als vele andere soldaten de dood. Ook de bisschop sneuvelde. Na de dood van Otto van der Lippe werd Wilbrand van Oldenburg, twee jaar na zijn aanstelling als bisschop in Paderborn, overgeplaatst naar Utrecht om orde op zaken te stellen.

De bisschop kreeg door de steun van de paus en de Duitse keizer een enorm leger bijeen. Hij trok ten strijde. Reinolt van Coevorden zag uiteindelijk in dat hij niet op kon tegen dit leger en gag zich op 10 oktober 1228 over bij Vollenhove. Reinolt van Coevorden ging akkoord met ondermeer het betalen van een schadevergoeding en overdragen zijn slot te Coevorden en zijn kasteel ‘t Laer in het Vechtdal vlakbij Ommen. Deze laatste werd door de bisschop volledig in de as gelegd. Toch kon Reinolt zijn overgave niet verkroppen en hij nam het slot van Coevorden weer in. Door een wapenstilstand met een van zijn vijanden kon de bisschop definitief afrekenen met Reinolt van Coevorden. Op 25 juli 1230 werd hij in de val gelokt in de burcht op de Herdenberch. Reinolt van Coevorden werd gevangen genomen, Vervolgens werd hij op een radbraakkruis gebonden en werden al zijn gewrichten kapotgeslagen tot de dood erop volgde. Omdat de stad Zwolle had geholpen bij het bouwen van de burcht kregen zij van de bisschop stadsrechten.

Roofridders in het Vechtdal…
Kastelen werden gebouwd op strategische plaatsen. De plek waar de Regge in de Vecht stroomt, is zo’n plaats. In het 1228 werd al gesproken over het kasteel dat hier stond. Ridder Reinolt, heer van Coevorden werd toen door de bisschop van Utrecht gedwongen om afstond te doen van dit kasteel. Het kasteel werd door de bisschop volledig in de as gelegd. Later wordt het kasteel herbouwd. In 1380 werd het kasteel bewoond door Engelbert van Salne en zijn vrouw Jutte van Laer. De Vecht werd inmiddels druk bevaren door handelslieden. Vanuit het graafschap Bentheim werd zandsteen vervoerd dat gebruikt werd voor de bouw van kerken en raadshuizen in het hele land. De Vecht was een belangrijke handelsweg tussen Zwolle en Duitsland. Bij de schippers was deze Engelbert van Salne niet geliefd, want hij vroeg een hoge tolheffing over de handelswaar. Dit was ook de reden van de belegering van de Bisschop van Utrecht gesteund door de steden Zwolle, Kampen en Deventer. Het slot werd wederom met de grond gelijk gemaakt.
Het slot 't Laer was in 1380 waarschijnlijk een versterkte houten toren (donjon) met daarbij een hofstede. Het was eigendom van Jutte van Laer, erfdochter van de oudste generatie en Engelbert van Salne. Deze Engelbert van Salne maakte het de kooplieden, die met hun koopwaren (o.a. Bentheimer zandsteen) de Regge en De Vecht afkwamen erg lastig. Zijn tolheffing was voor de steden Kampen, Zwolle en Deventer en de Bisschop van Utrecht een doorn in het oog. Door het misbruiken van zijn macht werd hij gezien als een roofridder. Bisschop Floris van Wevelinckhoven hield een grootse veldtocht
Een belegering van het kasteel was het gevolg. De donjon 't Laer werd vernietigd. Engelbert beloofde niets meer te ondernemen tegen deze steden.

Vervolgens trok de bisschop op naar Eerde. Hier stond het kasteel van roofridder Evert van Essen. De bewoners van het platteland van Salland werden geplaagd door roof en plundering. Evert van Essen waande zich veilig in zijn burcht. De muren van het kasteel waren van steen en met houten balken versterkt. De bisschop belegerde met zijn troepen het roofslot. Ook werd er een grote blijde opgebouwd. Stenen van 1300 pond werden naar het kasteel geslingerd, maar ketsten af tegen de grote muren. Pas na vijf weken ga Evert van Essen zich over. Hoewel het kasteel toch flinke schade had opgelopen door het beleg speelden voedseltekort ook rol bij deze beslissing. Tevergeefs werd geprobeerd om de burcht te slopen en daarom werd d e zeer sterke vesting van Evert van Essen in brand gestoken. Volgens de overlevering brandde het houtwerk van de burcht een hele maand. Om problemen met roofridders verder te voorkomen bepaalde de bisschop in overleg met de drie grote Hanzesteden dat niemand in Salland meer een kasteel zou mogen bouwen of versterken.
 

 

In 1384 tekende Engelbert van Salne een verdrag waarin hij vastlegde dat hij nog een van zijn nakomelinge een versterkt slot zou bouwen op de waar eens zijn versterkte hofstede had gestaan. Ze zouden alleen met toestemming een hofstede bouwen op de andere Vechtoever. Verder mochten de bisschop en de drie grote Hanzesteden te allen tijde de zijn hofstede met de grond gelijk mochten maken als zij daar de noodzaak van inzagen.  

 

In 1439 kreeg de kleinzoon, Johan van Laer toestemming om een kasteel te bouwen vlakbij de brug over de Regge. Voordat er met de bouw van het daadwerkelijke kasteel begonnen kon worden werd er eerst een motte opgeworpen. Dit is een kunstmatige heuvel en het zand was waarschijnlijk afkomstig uit de gracht die er rondom gegraven werd. Bovenop de motteheuvel werd het kasteel gebouwd. Op deze manier had je een goed uitzicht over het landschap en was het voor vijanden moeilijker om aan te vallen. Ook dit kasteel was hoogstwaarschijnlijk van hout en in die tijd werd de motte vaak nog extra verdedigt door een muur van houten palen, palissaden, met scherpe punten. Onneembaar was het mottekasteel niet, want het was voor aanvaller wel gemakkelijk om de motte te ondergraven. Omdat de heuvel van zand was kwam het na verloop van jaren voor dat de motte ging verzakken. Als je tegenwoordig richting Vilsteren rijdt is het moeilijk om dit cultuurhistorische monument te ontdekken. Maar als je vlak voordat je de Laarbrug overgaat aan de linkerkant van de weg kijkt kun je tussen een aantal eiken de overgroeide motteheuvel met daaromheen een gracht nog steeds in het landschap onderscheiden.
De huidige havezate werd eind zeventiende eeuw gebouwd en vervolgens in 1744 werd het door Jan Lodewijk graaf van Rechteren aangepast aan de ‘mode’ van die tijd. De Havezate werd verbouwd tot een huis in de Franse stijl.
 


 

Kasteel Rechteren…
Als we de Vecht iets verder afzakken dan vinden we tussen Ommen en Dalfsen kasteel Rechteren, de enige nog bestaande middeleeuwse burcht in Overijssel. De donjon dateert uit de 14de eeuw en het woongedeelte werd in de 15de eeuw gebouwd. De ringmuur die rondom de burcht heeft gestaan is tegenwoordig verdwenen.
Rechteren werd in 1190 al genoemd. Al ging het toen om niet meer dan een strategisch gelegen hoeve ten noordoosten van het huidige kasteel en werd het beschermd door een aarden wal. Ook dit kasteel aan de belangrijke handelsrivier de Vecht stond bekent als een roofridderburcht.
Door een goede ruil had Herman van Voorst begin 14de eeuw de burcht in handen gekregen. Niet lang daarna begon met de bouw van het huidige kasteel. De imponerende donjon was klaar omstreeks 1330 en in die zelfde tijd trok zoon Sweder van Voorst ten strijde tegen de bisschop vanwege een twist over het gebied Mastenbroek. Bij terugkeer reisden de troepen van Sweder door naar het naburige bisschopsgezinde Ommen. De soldaten plunderden de stad en lieten het vervolgens brandend achter. Sweder werd in deze gewapende strijd bijgestaan door zijn even oude neef Roderick. De tegenwoordig bekende adellijke familie van Voorst tot Voorst stamt af van deze neef. Eveneens opmerkelijk is dat bij het volgen van de mannelijke lijn terug in de geschiedenis je uitkomt bij Evert van der Ese.

 

De tijd verstreek en generaties later in 1483 kreeg Dirk van Keppel onderdak op kasteel Rechteren. Dit was voor de stad Zwolle reden om het kasteel te belegeren. Dirk van Keppel had namelijk in Zwolle opgeroepen tot een opstand. Na enkele maanden van beleg werd het kasteel ingenomen. De kasteelheer van Rechteren beloofde in een geschrift dat hij noch zijn nakomelingen niets meer zouden ondernemen tegen de burgers van Zwolle. Andere kooplieden die over de Vecht voeren vielen niet onder dit verdrag, want dat waren natuurlijk concurrenten van de Hanzestad.

Tijdens de tachtigjarige oorlog (1568 – 1648) wilden de Spanjaarden de handel op Vecht controleren. Daarom werd het kasteel vijf jaar door Filips troepen bezet In 1590 werd hier door Prins Maurits en de staatse troepen een einde aan gemaakt. Op bevel van de prins werden alle verdedigingsmuren afgebroken. Hierdoor werd het kasteel een adellijke woning en verloor het de functie als roofridderburcht.

Wat maakt een stad tot een stad…
We weten al dat in de achtste eeuw mensen hier woonden. En doordat het hier een goede plek was om te wonen groeide het aantal bewoners en konden we dus spreken van een echte nederzetting. In Nederland zijn er een aantal verschillende benamingen voor nederzetting. Ommen is bijvoorbeeld een stad. Lemele en Vilsteren zijn dorpen en als we het over Witharen hebben dan noemen we dat een gehucht en dan kennen we nog verschillende buurtschappen zoals Arriën, Stegeren, Junne, Zeese, Besthem en Giethem.
Maar waarom is Lemele een dorp en is Witharen een gehucht.

Een echte stad…
Otto, door de genade Gods bisschop van Utrecht,
Aan allen die dit zullen lezen maken wij bekend, dat wij aan alle tegenwoordige en toekomstige inwoners van onze stad Ommen goedgunstig dezelfde vrijheid hebben verleend als de inwoners van onze steden Deventer, Zwolle en Kampen van ons genieten en van onze voorgangers gewoon waren te ondervinden, tot welzijn en nut van onze Utrechtse kerk, tot heil van onze gelovige; en wij bepalen dat de stad Ommen zelf vrij zal zijn. Wij gelasten aan een ieder en aan allen, dat zij niets ondernemen tegen de vrijheid welke wij aan voornoemde mensen en plaats hebben geschonken, maar wij willen dat deze ten opzichte van ieder inwoner der plaats wordt uitgeoefend en in goede trouw wordt bevorderd, en wij schrijven voor, dat dit alles onverkort zal worden nagekomen, Gegeven en gedaan te Vollenhove in het jaar van de Heer twaalfhonderd en acht, op de derde dag van de week, de dag na Bartholomeus, in tegenwoordigheid van Gerard van Deister, proost van Deventer, H. onze kapelaan, I. van Vorste, P. van Putten, Stephanus, kasteelbewaarder van Coevorden, S van Gerner, schout van Salland, Siger, schout van Vollenhove, W. Raading en S. van Gerner, ridders en zeer veel anderen.

Met deze woorden van Otto III van Holland, de bisschop van Utrecht, krijgt Ommen op 25 augustus 1248 het recht om zich stad te noemen. Dit is niet de officiële oorkonde van de stadsrechten. Het is een afschrift van enkele eeuwen later. De persoon heeft bij het overschrijven van de oorkonde zich ook per ongeluk vergist. In de oorkonde wordt namelijk het jaar 1208 genoemd, terwijl Ommen haar rechten toch echt in 1248 heeft gekregen. Ommen is daarmee één van de oudste steden van Salland. Aan de steden Hardenberg en Gramsbergen wordt pas in 1362 en 1442 stadsrechten verleend. Ommen krijgt deze stadsrechten omdat het een strategische ligging heeft. De stad ligt vlakbij de plek waar de Regge in de Vecht stroomt, rivieren die in die tijd een rol spelen in de handel en de stad ligt op het kruispunt van de handelsweg, later ook hessenweg genoemd, die steden als Zwolle en Kampen verbindt met belangrijke steden in Duitsland en een van de drie wegen die het noorden van Nederland verbindt met de rest van het land.
Door het verkrijgen van deze stadrechten heeft Ommen ook bepaalde privileges. Steden hadden bijvoorbeeld het recht om de stad te beschermen met stadmuren of wallen. Ze mochten tol heffen en belasting innen bij hun burgers. Ze mochten een grote jaarmarkt houden. Een stad mocht een eigen rechtbank hebben.
Sinds 1848 is er volgens de wet geen verschil meer tussen dorpen en steden. De praktische betekenis van stadsrechten is daarom ook helemaal verdwenen, toch kun je bij Ommen spreken van een echte stad.

Een echt dorp…
Eigenlijk is het heel simpel. Een dorp is een nederzetting zonder stadsrechten. Daarom heeft een dorp geen stadsmuren en werd er geen tol geheven dat ten goede kwam aan het dorp. Er was wel een andere voorwaarde. In de nederzetting moest een kerk zijn wilde je van een dorp spreken. Er werd daarom ook wel gesproken van kerkdorpen. In de middeleeuwen waren de dorpjes dus niet zo belangrijk als de steden. Sommige dorpen zijn echter na 1848, de afschaffing van stadsrechten, uitgegroeid tot belangrijke plaatsen. Het zijn eigenlijk dorpen geworden met de allure van een stad. Zo’n dorp werd vroeger ook wel aangeduid met de term ‘het vlek’. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld Hengelo, Heerenveen en Tilburg. Sinds het afschaffen van stadsrechten wordt de term vlek niet meer gebruikt voor dorpen met de kenmerken van een stad. Tegenwoordig denken we bij de term vlek aan een onbelangrijk gehuchtje.

Een gehucht of buurtschap…
Nederzettingen die zo klein zijn dat er geen kerk is worden gehucht of buurtschap genoemd. Het verschil tussen een gehucht en een buurtschap is, dat een gehucht wel een officiële erkenning als zelfstandige plaats heeft. Dit in tegenstelling tot een buurtschap, dat slechts wordt gezien als een verzameling boerderijen in een gebied. De namen van buurtschappen zijn vaak afgeleid van gebieds- of veldnamen of vernoemd naar een belangrijk gebouw of dijken. Een gehucht had meestal een op zich zelf staande naam. Als er vroeger, om wat voor reden dan ook, de kerk uit een dorp verdween, sprak men van een ‘buurt met dorpsrechten’.
Omdat de kerk van Witharen pas halverwege de vorige eeuw werd gebouwd spreekt men bij Witharen toch van een gehucht.

Het begin van de Hanze…
Handelslieden richten al vrij snel handelsverenigingen op. Deze verenigingen of gildes hadden de functie om de belangen van de handelaren te behartigen. Al gauw werd een vereniging van verschillende handelaren ‘hanze’ genoemd. De handelaren op zee die van stad naar stad voeren kwamen uit verschillende landen, maar vooral de Friezen, Noren en Gotlanders waren erg actief. Ze haalden laken uit Vlaanderen. Wijn uit het rijngebied en de wol was afkomstig uit Engeland. Gotland was een eiland in de Oostzee en dit kon in de twaalfde eeuw beschouwd worden als een van de belangrijkste handelscentra van Europa. De hertog van Saksen roept in 1161 een genootschap van Gotlandvaarders in het leven. Steeds meer Duitse handelaren deden het eiland aan en de handel glorieerde. Het duurde dan ook niet lang voordat de eerste woningen van Duitse handelaren op Gotland werden gebouwd. De welvaart van Gotland wekte de jaloezie van verschillende Duitse steden. Deze richten samen een Wendische stedenbond op om voor hun eigen belangen op te komen. Ze vonden dat Engelsen, Vlamingen en Friezen niet in hun gebied mochten handelen. De Vlamingen maakten het hun Duitse concurenten natuurlijk ook niet gemakkelijk en problemen rondom het handelskantoor in Brugge was aanleiding voor een grote vergadering in het Duitse Lübeck in 1356. Vertegenwoordigers van verschillende steden kwamen bij elkaar. De eerste Hanzedag en het begin van het Hanzeverbond was een feit geworden. Twee jaar later op de volgende Hanzedag werd besloten om de handelspost in Brugge te sluiten en te verplaatsen naar Dordrecht en een handelsboycot in te stellen tegen de Vlamingen. Deze boycot werd ook wel ‘verhansing’ genoemd.

Bestuur van de Hanze…
Hoewel er geen officieel wetboek bestond binnen het verbond waren er toch wel duidelijke regels over kwaliteit, prijzen en belastingen. Belangrijke afspraken werden tijdens een vergadering van de steden op de Hanzedagen genomen. De Hanzedag was daarmee ook het hoogste orgaan binnen het Hanzeverbond. Vanwege het uitgestrekte gebied van het verbond worden de steden per streek gegroepeerd. Eerst in drieën, maar later wordt het gebied van de Hanze in vieren gedeeld. De Nederlandse Hanzesteden vielen onder het kwartier van Keulen. De belangrijkste stad van het verbond was Lübeck. Hier werden de meeste Hanzedagen gehouden en werd ook gezien als hoofdstad van de Hanze. Hoewel op de Hanzedagen belangrijke beslissingen werden genomen kwamen lang niet alle steden bij elkaar. De drukste Hanzedag werd slechts door afvaardigingen van negenendertig steden bezocht. Door het succes van het Hanze groeide het verbond snel. Niet alleen Duitse steden waren lid, maar ook steden uit Scandinavië, Polen en Nederland sloten zich aan.



Ommen, Hanzestad
Zwolle, Deventer en Kampen. Dat waren in de middeleeuwen de belangrijkste Overijsselse steden. Het is dan ook niet vreemd dat deze steden zich aansloten bij de Hanze. In navolging van deze drie sloten vele andere steden zich ook aan bij het verbond. Ook Ommen behoorde tot die steden. In 1473 wordt Ommen in voor het eerst genoemd als Hanzestad. Toch was er een duidelijk verschil tussen de drie grote steden en de andere Overijsselse Hanzesteden. Zwolle, Deventer en Kampen kun worden gezien als Hanzehoofdsteden van deze regio. Dit werden principaalsteden genoemd. De andere steden werden bijsteden genoemd. Tijdens de Hanzevergaderingen vertegenwoordigde principaalsteden ook zijn bijsteden. Er is dus nooit een afvaardiging van de stad Ommen afgereisd naar een Hanzedag. Officieel was Ommen een bijstad van Deventer, maar Ommen liet zich tijdens vergadering ook vertegenwoordigen door Zwolle die een aantal schepenen naar de Hanzevergaderingen stuurden. De kosten voor deze reis werden door de steden gedeeld en ook Ommen moest meedragen in de kosten. In het jaar 1549 bedroegen de kosten zes guldens.
Dat Ommen toch een bijzondere plaats is blijkt wel uit de er vaak schepenen uit Zwolle naar Ommen afreisden om verslag te doen van Hanzevergadering. Ook het feit dat sommige regionale vergadering werden gehouden te Nieuwerbrug, in het tolhuis bij de brug over de Regge, is een reden om aan te nemen dat Ommen een belangrijke bijstad was.

Een echte handelsstad is Ommen echter nooit geworden, maar desondanks mag de stad zich een echte Hanzestad noemen.
Van 1618 tot 1648 was Duitsland in de greep van de dertig jarige oorlog. Na deze oorlog probeerde het Hanzeverbond weer verder te gaan, maar dit lukte niet. Het betekende het einde van de Hanze. Daarom werd de Hanze in 1669 ontbonden.
De laatste vergadering van de Hanze was in juli 1669. Slechts negen steden kwamen opdagen. Op deze dag liep op niets uit. Er werden geen besluiten genomen over de toekomst, maar ook niet over ontbinding van het verbond. De steden zijn na deze dag nooit meer bij elkaar gekomen en daarom wordt het jaar 1669 gezien als het einde van de Hanze.

 

Ommen, een middeleeuwse stad…
Het was vroeger geen pretje om buiten te overnachten. Langs de wegen zwierf gespuis. Nee, mensen die onderweg waren zorgden er wel voor dat ze voor de nacht een veilige plek in een stad vormden. Steden waren in de middeleeuwen ommuurd. Op deze manier bleven de ongure types buiten de muren en kon de stad zich verdedigen. Ook Ommen mag na het verkrijgen van de stadsrechten een muur bouwen. Maar deze wordt in 1330 door Roderik van Voorst en Zweder van Rechteren met de grond gelijk gemaakt. Jaren later, tijdens het bewind van Floris van Wevelinckhoven als bisschop van Utrecht wordt Ommen tegelijkertijd met Hardenberg weer ommuurd.
Maar de stadsmuren hadden ook een probleem. Want door de muur kon de stad niet eindeloos groeien, want de stadsmuren kon je niet zomaar verplaatsen. Daar het gebrek aan ruimte stonden de huizen dicht op elkaar en waren de wegen smal. In de stad stonden ook boerderijen en de kippen en varkens liepen ook in Ommen gewoon over de Vrijthof. Maar het was toen nog geen mooi pleintje. De straten waren nog niet verhard. En bij regen kon het dan ook in een grote modderpoel veranderen. Omdat de inwoners toen heel anders met hygiëne omgingen en hun huisvuil gewoon op straat gooiden kwam het regelmatig voor dat er ziekte uitbrak onder de bevolking. In de middeleeuwen werden de mensen daardoor niet oud.

De kerk was de trots van Ommen. Daarom werd het houten kerkje al gauw vervangen door een kerk van steen. Maar de meeste andere huizen waren van hout en het dak was bedekt met riet. Veel steden werden in de middeleeuwen geteisterd door brand. Ook Ommen bleef dit niet bespaard. De eerste grote stadsbrand die wordt gemeld in de historie is de stadsbrand van 1517. Het legt bijna de gehele stad in de as, maar de kerk bleef bespaard. Op 15 april 1624 verwoestte een stadsbrand weer de bijna de hele stad en nu werd een groot deel van de kerk wel verwoest. Grote delen van de muur bleven staan, maar de toren ging in het geheel verloren. De kerk werd opgebouwd, maar zonder toren en het zou tot 1857 voordat er boven de stad Ommen weer een kerktoren prijkte. Omdat de kerk na de brand geen toren meer had werd er voor de klokken een zogenaamd klokkenhuis gebouwd aan de voorzijde van de kerk. Dit klokkenhuis werd in 1847 vernieuwd.

Het gilde
Door de handel trokken ook veel ambachtslieden naar de steden. Van brouwer tot bakker en van touwslager tot timmerman. De ambachtslieden gingen zich per beroepsgroep verenigen in gilden. Zo was er dus een smidsgilde en een weversgilde. Jongens die een ambacht wilden leren gingen niet naar school maar ging in de leer bij een ambachtslied. Deze kreeg dan de rol van leermeester. Als de jongen goed zijn best deed dan werd hij na verloop van tijd benoemd tot gezel. Als gezel kon hij geld gaan verdienen. Maar hij mocht het ambacht nog niet zelfstandig uitvoeren. Een gezel was altijd in dienst van een leermeester. Wanneer de gezel zijn meesterproef met goed gevolg aflegde werd hij bevorderd tot meester en kon hij een eigen bedrijf beginnen. De leden van het gilde maakten ook afspraken over prijzen, kwaliteit en openingstijden. Verder bepaalde het ook hoeveel mensen een meester in dienst mocht hebben. Alle leden van het gilde betaalden contributie. Hierdoor was je als lid van een gilde ook verzekerd, want bij ziekte waren de dokterskosten bijvoorbeeld voor rekening van het gilde en in geval van overlijden van een meester zorgde het gilde voor zijn vrouw en kinderen.
Lid worden van een gilde was geen keuze voor ambachtslieden. Wie niet lid was mocht namelijk zijn ambacht helemaal niet uitvoeren. Joden en bastaardkinderen werden net als horigen niet toegelaten tot het gilde.

Beroemdheid op de lijnbaan
In een blauw geruite kiel draaide hij aan ’t grote wiel, de ganse dag! Maar Michieltjes jongenshart leed ondragelijke smart. Ach, ach, ach, ach. Zo begint een bekend kinderliedje van vroeger over de grote zeeheld Michiel Adriaanzoon de Ruyter. Veel mensen denken dat het liedje gaat over Michiel de Ruyter die in een blauw geruite kiel aan het stuurwiel van zijn schip staat, maar niets is minder waar. In die tijd werd een schip helemaal niet bestuurd met een stuurwiel. Het roer werd door een lange paal bediend. Het liedje gaat over de jonge jaren van onze Nederlandse zeeheld. Want Michiel de Ruyter begon op vijf-jarige leeftijd als draaiersjongen op de lijnbaan van de gebroeder Lampsins. In die tijd was het heel normaal dat de touwslager een wieldraaier van die leeftijd in dienst had. Vanaf het einde van de 19e eeuw werd kinderarbeid verboden en met de komst van machines werd het wiel toch in beweging gehouden.
Ook in Ommen hebben verschillende touwslagers gewoond. Tegenwoordig kun je tussen de voormalige van Raalteschool en het oude kerkhof nog steeds een lange strook grond met achteraan een klein schuurtje ontdekken. Het is een zogeheten ‘Spiethuusie’ Vlas werd hier spiet genoemd en in dit huisje stond de spinmachine en werd het vlas opgeslagen. Met die spinmachine werd een enkeldradig touw gesponnen en dit gesponnen touw werd op de lijnbaan geslagen tot sterke touwen
Boeren uit de omgeving gebruikten vele meters touw tijdens hun werk. Maar de meeste meters werden veelal in de scheepvaart gebruikt. Het is dan ook niet raar dat de lijnbaan van de touwslager vlak bij de voormalige haven van Ommen te vinden is. De laatste touwslager van Ommen was Berend van der Vegte. Hij voerde het ambacht tot 1975 uit en stond in de omgeving bekend als ‘Berend van ’t touw’

De Vecht...
De Vecht vindt zijn oorsprong bij de bronnen in de streek rondom het plaatsje Darfeld in het Duitse Münsterland. Het begint daar als een klein stroompje en 160 kilometer later stroomt de rivier in het Zwarte Water bij de stad Zwolle. De Vecht dankt volgens de overlevering haar naam aan Vechtan, een prins die in het Münsterland het woord van God verkondigde. Om hem te eren noemde de bevolking de rivier naar hem.
Ommen en de Vecht zijn altijd al met elkaar verbonden geweest. Dat is vroeger zo geweest en dat zal ook wel zo blijven. Ommen is in de loop van de eeuwen flink veranderd en zo is dat ook met de Vecht het geval. Tegenwoordig is de rivier het domein van watersporters, hengelaars en andere liefhebbers die hun vrije tijd willen doorbrengen op of in de nabijheid van de Vecht.
Maar heel vroeger trokken de mensen ook al naar de Vecht. In de zomer gingen zij op zoek naar voedsel of jaagden zij in dit gebied.
In de eeuwen daarna vestigden de boeren zich op de hoger gelegen essen, waar ze hun vee lieten grazen en gewassen gingen verbouwen. En tijdens de middeleeuwen kwamen er de kastelen en kloosters. Kasteel Rechteren tussen Ommen en Dalfsen is hiervan een voorbeeld.

Dat steeds meer mensen zich in het Vechtdal gingen vestigen was een gevolg van het feit dat de Vecht een belangrijke transportfunctie had gekregen. Veel goederen passeerden Ommen. De Vecht had een aantal eeuwen deze functie en de 18e en 19e eeuw was voor de scheepvaart op de Vecht een ware bloeitijd. Er werden van allerhande goederen over de rivier getransporteerd. Vanuit het graafschap Bentheim werd bijvoorbeeld het bekende Bentheimer zandsteen vervoerd. Dit zandsteen werd gebruikt voor de bouw van kerken en raadshuizen in het hele land. Ook de schepenen van Amsterdam besloten om na de tachtigjarige oorlog een nieuw stadhuis, tegenwoordig het Paleis op de Dam, te bouwen van zandsteen. Met de komst van de trein verloor de Vecht de transportfunctie.

 

Hessenweg
De Hanzesteden waren over land ook met elkaar verbonden door middel van Hanzewegen. Een deel van dit netwerk van wegen werden in de zeventiende eeuw door de Hessen in gebruik genomen. Dit waren de internationale vrachtchauffeurs van de die eeuw en waren afkomstig uit de omgeving van de stad Kassel, dat ligt in het Duitse Hessen. De hessenwegen liepen op verschillende plaatsen vanuit Duitsland door ons land naar Via Utrecht naar het handelscentrum Amsterdam of door het zuiden naar Antwerpen.
Doordat de Hessen voor het vervoer van hun vracht bredere karren gebruikten dan normaal in Nederland gebruikelijk waren. Hun wagens pasten dan ook niet in het spoor van de landelijke karren. Ze hadden hun eigen meters brede hessenwegen. Veel breder dan de Hanzewegen uit de eeuwen daarvoor. De loop van de wegen veranderde soms wel. Wanneer een weggedeelte onbegaanbaar was geworden reden de kooplieden er met hun wagen omheen en verplaatste de weg zich een aantal meters opzij.

De Hessen waren ruige kerels. Ze zagen er woest uit. Afschrikwekkend, niet gemakkelijk bang te maken. Dat moest ook wel want er schuilde steeds het gevaar om overvallen te worden door rovers. Om dit te voorkomen reisden de Hessen ook vaak in konvooi.
Door hun woeste verschijning waren ze in de steden ook geen graag geziene gasten. Dit was niet de reden waarom ze de steden vermeden. Dat deden ze meer om het feit dat ze in daar tol moesten betalen en dat zou hun winst alleen maar verminderen.

Vanaf Ommen loopt de N34 naar Zwolle en deze heeft nog steeds de benaming Hessenweg, maar het traject wijkt wel af van de oorspronkelijke hessenweg. Deze boog bij Varsen namelijk af naar het noorden. De huidige weg heet daar ook niet voor niets Hessenweg west. En de hessenweg liep verder door het Ommerbos richting herberg de Hongerige Wolf. Op deze manier werd de tol in de stad Ommen vermeden.

 

De Hanze vandaag de dag…
Het handelsverbond is tegenwoordig geschiedenis. Maar het Hanzeverbond is in 1980 nieuw leven in geblazen. Tegenwoordig staan handelsbetrekkingen niet meer voorop. De nieuwe Hanze wil de burgers bewustmaken van de geschiedenis van de Hanze enerzijds, maar wil verder het uitwisselen van cultuur stimuleren. Ommen was misschien vroeger een bijstad en liet zich door zijn principaalstad vertegenwoordigen op de Hanzedagen, maar vandaag de dag neemt Ommen actief deel aan het nieuwe verbond als een volwaardige Hanzestad.

(bron: Hanzestad in het Vechtdal - een verslag van de handel en wandel in het middeleeuwse Ommen en omgeving)

 Ommen, nu en jaren geleden…

Ommen, een stad die in de zomermaanden bruist van leven. Overal mensen die bezig zijn met hun dagelijkse beslommeringen, of zij die juist in hun vrije tijd genieten van alles wat Ommen te bieden heeft. Het hedendaagse Ommen, een parel in Overijssel waar natuur en cultuur samenkomen.
Maar Ommen is meer dan het heden. Ommen heeft ook historie. Deze historie is op de dag van vandaag nog steeds zichtbaar in het stadscentrum.

De oorsprong…
Uit archeologische vondsten weten we dat er omstreeks de 8e eeuw al enige vorm van bewoning aan de oever van de Vecht was. Deze eerste bewoning stelde nog niet heel veel voor, maar langzamerhand vestigden zich meer mensen in de vechtstreek en rond het jaar 1100 was hier al een kleine nederzetting. De reden voor deze bewoning was waarschijnlijk de doorwaadbare plaats in de Vecht. Vervolgens werd deze in 1133 als ‘de Vmme’ en in 1227 als ‘Ummen’ in documenten benoemd.

Volgens sommigen zou de naam afgeleid zijn aan het feit dat hier aan de Vecht een huis stond dat werd bewoond door een dienaar van de Bisschop van Utrecht. Dit huis werd een ‘heim’ genoemd en in het gebied rondom dit ‘heim’ verrees een kleine nederzetting. Dit dorpje om het heim zou vervolgens ‘Omheim’ zijn genoemd en daarvan zou de naam Ommen een verbastering zijn. Dit klinkt aannemelijk, want rond Ommen liggen de buurtschappen Besthmen en Giethmen, die net als Ommen op ‘men’ eindigen en van deze buurtschappen is het zeker dat deze van oorsprong op ‘heim’ eindigen.
Een andere theorie is dat Ummen zijn oorsprong vindt in de naam Umbalaha. Dit was een kleine gouw, ook wel graafschap genoemd aan de noordzijde van de Vecht. Het stond bekend als een wildernis met vele poelen en moerassen.
Waar de naam Ommen vandaan komt is niet met zekerheid te zeggen en naar de daadwerkelijke herkomst blijft het dan ook gissen.

Een echte stad…
Ommen is een van de oudste steden van Salland. Terwijl aan steden als Hardenberg en Gramsbergen in 1362 en 1442 stadsrechten worden verleend krijgt Ommen al op 25 augustus 1248 van Otto III, de bisschop van Utrecht, haar stadsrechten en is het een echte stad. Ommen krijgt deze stadsrechten omdat het een strategische ligging heeft. De stad ligt vlakbij de plek waar de Regge in de Vecht stroomt, rivieren die een rol spelen in de handel en de stad ligt op het kruispunt van de handelsweg, later ook hessenweg genoemd, die steden als Zwolle en Kampen verbindt met belangrijke steden in Duitsland en een van de drie wegen die het noorden van Nederland verbindt met de rest van het land. Dat deze laatst genoemde weg ook zo belangrijk was bewijst wel de bouw in 1628 van de vesting de Ommerschans langs deze weg.
Het oorspronkelijke document waarin de stadsrechten aan Ommen worden verklaard is helaas niet bewaard gebleven. In het stadsarchief is bevindt zich wel een overgeschreven afschrift van het oorspronkelijke document. Maar dat er vroeger wel eens fouten werden gemaakt blijkt wel uit het feit dat in dit afschrift het jaartal 1208 wordt genoemd en niet 1248.

 

Ommen, Hanzestad
De ligging van de stad was de reden dat Ommen zich aansloot bij de Hanze. Dit was een in 1356 opgericht samenwerkingsverband van handelssteden uit voornamelijk Duitsland, maar ook steden uit Nederland, Engeland, Scandinavië en Polen sloten zich hierbij aan. De hoofdstad van de Hanze was het Duitse Lübeck. Andere Nederlandse steden die lid waren van de Hanze waren bijvoorbeeld Kampen, Zwolle en Deventer. Aansluiting bij de Hanze betekende een verbetering van de handelspositie. De handel tussen de steden ging over het water. Goederen zoals vis, granen, hout laken en bijenwas, maar ook natuurlijk bier en wijn werden verscheept in Kogge-schepen.
Een echte handelsstad is Ommen nooit geworden. Ommen was eigenlijk een soort van ‘dochterstad’ van Deventer, maar desondanks mag de stad zich een echte Hanzestad noemen.
Van 1618 tot 1648 was Duitsland in de greep van de dertig jarige oorlog. Na deze oorlog probeerde het Hanzeverbond weer verder te gaan, maar dit lukte niet. Het betekende het einde van de Hanze. Daarom werd de Hanze in 1669 ontbonden.

Van Stad en Ambt tot gemeente
Vroeger was de gemeente Ommen verdeeld in het ambt, ook wel kerspel genoemd en de stad. Door verandering van bestuur tijdens de overheersing van Napoleon werden stad en ambt samengevoegd tot een gemeente, maar in 1818 werden de oude grenzen hersteld. In dat jaar werden er ook plannen gemaakt om van Ommen een vesting te maken met hoge muren en een stadgracht in een stervorm. Verder dan plannen is het echter niet gekomen

Hoewel stad en ambt Ommen vanaf 1843 veelal dezelfde burgemeesters hadden bleven het afzonderlijke gemeenten. Pas op 28 april 1923 werden stad en ambt samengevoegd tot een gemeente Ommen.

Op 27 juni 2000, bij de meest recentelijke herindeling die de stad aanging en waarbij er het voornemen was om een nieuwe mammoetgemeente te creëren, bleef Ommen na heftig verzet toch zelfstandig.

(bron: Van Mars tot Markt in Ommen) 

 

 De Vecht.

De Vecht vindt zijn oorsprong in het Duitse Munsterland bij de bronnen van het plaatsje Darfeld. Het begint daar als een klein stroompje en 160 kilometer later stroomt de rivier in het Zwarte Water bij de stad Zwolle. De Vecht dankt volgens de overlevering haar naam aan Vechtan, een prins die in het Munsterland het woord van God verkondigde. Om hem te eren noemde de bevolking de rivier naar hem.
Ommen en de Vecht zijn altijd al nauw met elkaar verbonden. Dat was zo en dat zal ook wel zo blijven. Ommen is in de loop van de eeuwen flink veranderd en zo is dat ook met de Vecht het geval. Tegenwoordig is de rivier het domein van watersporters, hengelaars en andere liefhebbers die hun vrije tijd willen doorbrengen op of in de nabijheid van de Vecht.
Heel vroeger trokken de mensen ook al naar de Vecht. In de zomer gingen zij op zoek naar voedsel of jaagden zij in dit gebied. In de eeuwen daarna vestigden de boeren zich op de hoger gelegen essen, waar ze hun vee lieten grazen en gewassen gingen verbouwen. En tijdens de Middeleeuwen kwamen er de kastelen en kloosters. Kasteel Rechteren tussen Ommen en Dalfsen is hiervan een voorbeeld.
Naast de welgestelde kasteelheren vestigden zich ook rovers langs het water. Op de plek waar de Regge in de Vecht stroomt, heeft een roofslot gestaan. Volgens de verhalen die zijn overgeleverd leefde hier Reinolt van Coeverden, maar hij gaf zich in 1229 over aan Bisschop Wilbrand van Utrecht en zijn roofslot werd volledig in de as gelegd.

Dat rovers zich hadden gevestigd, was het gevolg van het feit dat de Vecht een belangrijke transportfunctie had gekregen. Veel goederen passeerden Ommen. De Vecht had een aantal eeuwen deze functie en de 18e en 19e eeuw was voor de scheepvaart op de Vecht een bloeitijd. Er werden van allerlei goederen over het water vervoerd. Vanuit het graafschap Bentheim werd zandsteen vervoerd. Dit Bentheimer zandsteen werd gebruikt voor de bouw van kerken en raadshuizen in het hele land. Ook de stad Amsterdam besloot om na de Tachtigjarige oorlog een nieuw stadhuis van dit zandsteen te bouwen, het Paleis op de Dam. Met de komst van de trein verloor de Vecht haar transportfunctie.

(bron: Van Mars tot Markt in Ommen)